Een functie gebruiken: aanroepen en argumenten
Een aanroep vraagt een functie haar taak uit te voeren. De meegegeven waarden zijn argumenten. De namen die ze in een functiedefinitie ontvangen, zijn parameters. Een aanroepvorm vat samen hoe je de functie gebruikt. Volg één aanroep stap voor stap.
Een functie aanroepen betekent dat je haar vraagt haar taak uit te voeren. De waarden die je meegeeft heten argumenten. Sommige eenvoudige aanroepen kun je ook in Pliro-commandovorm schrijven.
De gewone aanroepvorm werkt overal in expressies:
zeg("Hallo", naam)
laat aantal = lengte([1, 2, 3])
zeg(tekst(aantal))
Als volledige opdracht mag een aanroep haakjes weglaten:
zeg "Hallo", naam
vooruit 100
hulpen.teken 20, 30
Argumenten blijven door komma’s gescheiden. Deze opdrachtvorm ondersteunt een
naam of een reeks namen met punten als doel. Het eerste argument begint met
een naam, getal, tekstliteral, waar, onwaar, geen, niet of {.
Begint het met [, unaire +/- of groepering (, gebruik dan de gewone
haakjesvorm: zeg([1, 2]), vooruit(-10) of zeg((1 + 2) * 3).
Een aanroep zonder argumenten vereist (), bijvoorbeeld penOp().
Losse expressieopdrachten zijn toegestaan. Hun waarde wordt normaal weggegooid;
interactieve uitvoering kan een resultaat anders dan geen tonen.
Voorbeeld
# taal: nl
zeg("Pliro")
zeg "Pliro", 12
zeg([1, 2, 3])
Gerelateerde lemma’s
Syntaxis en waarden · Ingebouwde functies · Programmeergidsen
